Logo Universiteit Utrecht

Onderzoekgids Geschiedenis

De inleiding

In de inleiding moet de lezer bekend maken met het onderwerp, de probleemstelling en de rechtvaardiging van het onderzoek. Het is belangrijk dat de inleiding nauw aansluit bij de rest van het werkstuk. Sommige auteurs schrijven de inleiding daarom als de rest van hun stuk af is. In de praktijk beginnen de meesten wel met de inleiding, maar passen zij die aan nadat ze met hun werkstuk verder gevorderd zijn. Zo ontstaat een wisselwerking tussen onderzoek en schrijven

Een inleiding is doorgaans opgebouwd uit de volgende elementen:

1. Inleidende oriëntatie op het onderwerp

Deze instap vertelt de lezer kort datgene wat de – algemeen geïnteresseerde – lezer nodig heeft om de probleemstelling van het werkstuk te begrijpen. Vertel niet te veel, maar genoeg om je onderwerp te introduceren en de niet-gespecialiseerde lezer te prikkelen.

2. De probleemstelling

Na de oriëntatie volgt een duidelijke uiteenzetting van de probleemstelling en de deelvragen. Het kan soms geen kwaad om de probleemstelling in een iets korter en bondiger bewoording helemaal aan het einde van je inleiding nog eens te laten terugkeren.

3. De rechtvaardiging

Om de lezer een idee te geven waarom een probleemstelling de moeite van het onderzoeken waard is, wordt door de historicus vaak kort een rechtvaardiging van het wetenschappelijk belang van het onderzoek geformuleerd.

In een rechtvaardiging leg je kort uit:

  • Waarom je probleemstelling interessant is
  • Dat het onderzochte thema volgens de door jou gehanteerde vraagstelling en methode nog niet of onvoldoende is onderzocht.
  • Geef hierbij een kernachtig ‘historiografisch en/of theoretisch kader’ waarin je het historisch onderzoek naar jouw onderwerp grof in kaart brengt en interpretaties tegen elkaar afzet. Een hiaat of ‘blinde vlek’ in de historiografie kan een overtuigende rechtvaardiging voor je probleemstelling vormen.

4. De verantwoording

Naast de oriëntatie en het waarom van het onderzoek is het belangrijk dat je in de inleiding ingaat op de gehanteerde methode, op de keuze van het bronmateriaal en op de wijze waarop je het materiaal hebt onderzocht.

Soms hoef je niet veel te zeggen over de methode van je onderzoek omdat deze min of meer vanzelfsprekend is. Bijvoorbeeld bij een duidelijk chronologisch opgebouwd verhaal.

Neem niet te snel aan dat de door jou gehanteerde methode of onderzoekswijze voor zich spreekt, of dat je geen methode hebt gehanteerd. Uitleggen hoe je het onderzoek hebt gedaan en rekenschap afleggen van je methode komt de helderheid van het onderzoek vrijwel altijd ten goede.

Aan het einde van je verantwoording kan je eventueel nog technische mededelingen toevoegen. Indien nodig kun je de lezer inlichten over het gebruik van bepaalde kalenders en de functie en indeling van eventuele kaarten, tabellen en grafieken.

In een goede inleiding komen bovenstaande elementen aan bod. Bovendien sluit een goede inleiding aan op een goede conclusie. Het is niet nodig in een inleiding een precieze uitleg te geven van de gehele opbouw van je essay (‘in het eerste hoofdstuk zal ik… vervolgens ga ik… om te eindigen met een conclusie’.).

 Vorige  Volgende