Logo Universiteit Utrecht

Onderzoekgids Geschiedenis

Tips voor spelling en stijl

Spelling en stijl: veel gemaakte fouten en tips

Van andermans fouten kan je leren, daarom staat hieronder een kort overzicht van steeds terugkerende fouten in historische werkstukken.

  • De spellingsregels dien je gewoon te hanteren.
  • De stijlwijzer noemt de afspraken die gelden voor historische essays.
  • Met de tips onder precies formuleren kan je je wapenen tegen de meest gehoorde kritiek: ‘je formulering is te vaag’.
  • De stijltips verhogen de leesbaarheid van je stuk.

Werkwoordsspelling
Spelfouten zijn in een academisch werk uiteraard uit den boze. In deze onderzoekgids staat geen uitgebreide handleiding over de d’s en dt’s: Er zijn vele webgidsen en naslagwerken beschikbaar die je daarbij kunnen helpen.

Enkelvoud en meervoud moeten met elkaar corresponderen

Niet: ‘De regering-Balkenende trad al snel af. Zij hadden ruzie met elkaar gekregen.’
Maar: ‘De regering-Balkenende trad al snel af. De ministers hadden ruzie met elkaar gekregen.’

Niet: ‘Egypte en hun diplomatieke vertegenwoordigers keerden zich tegen de Veiligheidsraad.’
Maar: ‘Egypte en zijn vertegenwoordigers’ of liever nog ‘De regering van Egypte en haar diplomatieke vertegenwoordigers’.

Niet: ‘Een aantal ministers traden af.’
Maar: ‘Een aantal ministers trad af.’

In enkele gevallen corresponderen meervoud en enkelvoud niet. Zo wordt in het geval van de Verenigde Naties de werkwoordsvorm meestal in het enkelvoud weergegeven. ‘Verenigde Staten’ daarentegen wordt in het Nederlands meestal nog van een werkwoordsverbuiging in het meervoud voorzien.

Voornaamwoorden
Zorg ervoor dat het geslacht en het getal van de aanwijzende, bezittelijke en betrekkelijke voornaamwoorden corresponderen met het zelfstandig naamwoord waar zij bij horen.
Dus het is: ‘de regering, die’ en ‘het kabinet, dat’ en niet: ‘de regering, dat’ en ‘het kabinet, die’.
Bij ‘het land’ kan nooit sprake zijn van ‘haar relatie’ met een ander land.
Dus ook niet: ‘De regering besloot dat hun notulen slechts in beperkte mate onder de topambtenaren verspreid werden’, maar ‘De regering besloot dat haar notulen slechts in beperkte mate onder de topambtenaren verspreid werden’.

In welke tijd schrijf je?
Een historicus schrijft doorgaans in de onvoltooid verleden tijd, en hanteert bij iets dat vroeger is gebeurd de verleden tijd.

Beperk het gebruik van de tegenwoordige tijd tot:

  • De inhoud van documenten die nu nog te raadplegen zijn:
    ‘In zijn memoires valt te lezen’ of ‘In zijn terugblik schrijft hij daarover.’
  • Je eigen oordeel:
    ‘Het is opmerkelijk, maar hierna besloot de keizer de kanselier te ontslaan.’
  • Als bewust gebruikt literair middel om bijvoorbeeld een snelle opeenvolging van gebeurtenissen te benadrukken: ‘dan boort een tweede vliegtuig in de andere toren. Het is dus een aanslag.’

Let erop dat de volgende voegwoorden gewoonlijk door verschillende tijden worden gevolgd:

  • Als en wanneer: door de tegenwoordige tijd
  • Toen door de onvoltooid verleden tijd
  • Nadat door de voltooid verleden tijd.

Niet: ‘Wanneer de Armenen weigerden het Azerbeidjaanse gezag te erkennen.’
Maar: ‘Toen de Armenen weigerden het Azerbeidjaanse gezag te erkennen.’
Niet: ‘Nadat de vliegtuigen hun bommenlast dropten, klommen zij weer naar grotere hoogte.’
Maar: ‘Nadat de vliegtuigen hun bommenlast hadden gedropt, klommen zij weer naar grotere hoogte.’

Introductie van personen

  • Wanneer je voor het eerst een persoon met naam introduceert is het gangbaar om die persoon kort te introduceren. Bijvoorbeeld ‘de Britse historicus Eric Hobsbawm’.
  • De aanduiding ‘de heer’ voorafgaand aan een eigennaam mag je weglaten. Laat maar aan de lezer over of ze iemand als heer beschouwen. Vermijd ook ‘de heren’, bijvoorbeeld in: ‘Hitler en Stalin sloten een pact waarbij de heren Polen opdeelden’. ‘De heren’ krijgt hier een badinerende betekenis.

Cursivering: wat schrijf je in de tekst cursief?

  • Zelfstandig uitgegeven titels zoals boek-, tijdschriften- en krantentitels worden in de tekst altijd cursief weergegeven.
  • Cursiveer vreemdtalige begrippen bij eerste vermelding en niet in citaten. Bijvoorbeeld ‘De minister was, zacht uitgedrukt, not amused’.
    Of: ‘In de jaren dertig was er een overgevoeligheid in Nederland voor Fremdkörper in de eigen taal.’
  • Namen van hotels, gebouwen, schepen e.d. worden niet gecursiveerd.

Vertaalkwesties

  • Titels van boeken, namen van instellingen etc. in de tekst worden in de oorspronkelijke taal of in het Nederlands weergegeven. Voorbeeld: House of Lords wordt niet vertaald als het Hogerhuis.
  • Eigennamen met bijzondere diakritische tekens gebruik je ook in de Nederlandstalige tekst. Dus ‘Milošević’ en niet ‘Milosevic’; ‘Sjøbrend’ en niet ‘Sjobrend’.
  • Vermijd Engelse woorden en termen waar goede Nederlandse equivalenten bestaan. Dus schrijf niet over het committee, maar over het comité.
  • Gebruik geen Engelstalige termen, uitdrukkingen of citaten wanneer je schrijft over een niet-Engelstalig land. Stalin, Mao of Tito spraken hun volk niet in het Engels toe. Wek dus die suggestie ook niet door hen een Engelstalig citaat in de mond te leggen. Vertaal in dat geval het citaat.
  • Gebruik geen half-vertaalde Engelse termen : ‘The Reagan administration’ is in goed Nederlands: de regering-Reagan en niet: de Reagan administratie. Een ‘billion’ is een miljard en niet een biljoen. ‘Global’ is ‘mondiaal’ en niet ‘globaal’ (in grote lijnen). Ook zaken als ‘populaire taal’, ‘openbare educatie’ en ‘ruwe materialen’ zijn anglicismen, waarbij in werkelijkheid bedoeld wordt ‘volkstaal’, ‘openbaar onderwijs’ en ‘grondstoffen’.
  • Een ‘minister’ in het Engels kan een minister, een gezant of een dominee zijn. Let op de context.
  • In het Engels bestaat de gewoonte om een zelfstandig naamwoord als bijvoeglijk naamwoord te gebruiken. In het Nederlands gebeurt dat zelden. Terwijl Engelssprekenden het hebben over ‘the Paris treaty’, zeggen wij niet ‘het Parijs verdrag’, maar ‘het verdrag van Parijs’. Soms worden bepaalde Engelse aanduidingen ingeburgerd. Zo is het heel gewoon geworden om van de Irakoorlog te spreken.
  • Het verdient de aanbeveling van langere Latijnse en Griekse citaten een vertaling op te nemen tussen haken na het citaat of in een noot.
  • Korte Latijnse en Griekse uitdrukkingen (zoals cum suis, ad hoc etc.) worden gewoon gebruikt, want die zijn gemakkelijk op te zoeken in een woordenboek. Bedenk wel voor wie je schrijft.

Afkortingen: uitschrijven

  • Gebruik uitsluitend algemeen aanvaarde afkortingen. Dus geen eigen geknutsel, zoals WO2 of SU. Ook geen ‘v.d’, maar: van de. Geen ‘z’n’, maar: zijn.
  • De eerste keer dat je een begrip of eigennaam gebruikt, waarvan je vervolgens afkortingen wil geven, geef je de volledige naam weer en plaats je de afkorting tussen haakjes daarachter. Daarna kun je steeds de afkorting gebruiken.
    Als er veel afkortingen voorkomen in je werkstuk, is het aan te raden een lijst met afkortingen op te nemen. Hoe meer afkortingen een tekst bevat, des te onleesbaarder zij wordt.

Wanneer mag je ‘ik’ gebruiken?

  • In gevallen waarin je het verloop van het onderzoek, je onderzoeksbelangstelling of je persoonlijke conclusies beschrijft mag je ‘ik’ gebruiken. Dit komt dus voornamelijk voor in het voorwoord, inleiding en conclusie van je werkstuk. Gebruik geen pluralis majestatis (‘wij’ waar je ‘ik’ bedoelt: ‘wij wijzen de lezer erop’.)

Wie bedoel je precies?

  • Probeer steeds te laten zien wie iets doet of denkt. Laat de lezer niet raden, dat wekt diens irritatie. Stel jezelf zodra je ‘men’ opschrijft meteen de vraag: wie is men? Bijna altijd is het mogelijk in plaats van ‘men’ een concrete ‘dader’ aan te wijzen: de regering, de minister, de bevolking, etc.
  • Wees vervolgens precies in je beschrijvingen. Bedoel je werkelijk de hele adel als je schrijft ‘Frederik van Pruisen vernietigde de adel’ of gaat het slechts om een deel van de adel of om het gedeeltelijk buitenspel zetten van de adelsstand als machtsfactor?
  • Laat hoofdsteden niet handelend optreden. Dus niet: ‘Londen instrueerde de ambassadeur in Den Haag’ of ‘Den Haag reageerde verbaasd’. Bedoel je met ‘Den Haag’  de regering, het parlement, het ministerie van Buitenlandse Zaken, de koning(in) of nog iets/iemand anders?

Cui bono? Tot wiens nu (of nadeel) gebeurde er iets?

  • Een zin als ‘In de relatie met Italië lag de kwestie rond Triëst niet helemaal lekker.’ geeft de lezer wel zeer weinig indruk van wat er feitelijk aan de hand was.
  • Als je schrijft ‘botsingen’ of conflicten’, geef dan aan om wat voor botsingen of conflicten het gaat: militair, verbaal, etc. En vermeld tussen wie die botsingen en conflicten plaatsvonden.
  • Wat bedoel je met een zin als ‘Ze hadden gedurende hun drieduizend jaar durende geschiedenis te maken met Perzen, Romeinen, Turken en Russen.’ Hadden zij met al die groepen op dezelfde manier te maken? Dreven zij handel met hen? Voerden zij oorlog? Waren deze volken bezetters of werden zij juist onderdrukt? Etc.
  • Vermijd ook vage uitdrukkingen als ‘Het was er al lang onrustig.’

Wees precies met tijdsaanduidingen

  • Als je bijvoorbeeld schrijft over ‘de eerste naoorlogse verkiezingen’, vermeld dan ook de datum daarvan.
  • De schrijver dient ook met uitspraken als ‘een lang conflict’ of ‘een kortstondige oorlog’ te verduidelijken waarom iets lang of kort is. Bovendien is het handig om te vermelden hoelang een gebeurtenis/situatie gebeurde: ‘De schoolstrijd in Nederland heeft lang geduurd’ kan dan toegelicht worden met het aantal verstreken jaren of een tijdsperiode.

  • Voorkom tendentieus, populair of journalistiek taalgebruik. Wees in ieder geval consequent: Wil je toch een stijl gebruiken die een wat lichtere toon heeft dan de strikte academische stijl, gebruik dan ook ‘maar’ in plaats van ‘echter’, en ‘nu’ in plaats van ‘thans’. Aan de andere kant moet een wetenschappelijke tekst niet onnodig moeilijk of plechtstatig zijn. Een tekst is bedoeld om te informeren, niet om te imponeren. Vermijd dus archaïsche woorden (‘nochtans’) en onnodig ingewikkelde formuleringen.
  • Leg ingewikkelde begrippen en historische termen uit; ga er niet blind van uit dat iedereen weet wat je bedoelt.
  • Gebruik geen puntsgewijze notaties, dat functioneert niet voor een lopende tekst. Een puntsgewijze notatie suggereert dat alle opmerkingen even belangrijk zijn. Als je van die punten een lopende tekst maakt zal je onherroepelijk prioriteiten moeten stellen en dat komt de betooglijn ten goede.
  • Besteed aandacht aan en varieer in de lengte van je zinnen. Let op dat je geen eindeloos lange zinnen met veel bijzinnen maakt, maar ook niet in ‘telegramstijl’ schrijft.
  • Voorkom dat je vlak achter elkaar, in één en dezelfde zin of in twee opeenvolgende zinnen, hetzelfde woord gebruikt. Zoek naar synoniemen. Gebruik in plaats van ‘regering’ bijvoorbeeld eens ‘kabinet’, ‘ministerraad’, ‘ministersploeg’, ‘de koning en de ministers’, ‘de bewindslieden’. Let daarbij wel op betekenisverschillen. ‘Regering’(koning en ministers) is niet helemaal hetzelfde als ‘kabinet’(de gezamenlijke ministers) en onder ‘bewindslieden’ vallen ook staatssecretarissen.
  • Soms lezen teksten houterig doordat elke zin op zich lijkt te staan. De relatie tussen zinnen is cruciaal voor het begrip van je betoog. Let daarom extra goed op het gebruik van de zogenaamde signaalwoorden en voegwoorden.
  • Zorg ervoor dat de lezer de draad niet kwijtraakt. Gebruik je ‘ten eerste’, kom dan ook met ‘ten tweede’, ‘ten derde’ en eventueel ‘ten slotte’. Gebruik je ‘enerzijds’, kom dan ook met ‘anderzijds’. Gebruik je ‘niet alleen’, laat dan verderop in dezelfde zin ‘, maar ook’ volgen.

 Vorige  Volgende